Een bodemloze put lening is een lening waarvan de vordering (gedeeltelijk) geen waarde heeft, omdat terugbetaling niet volledig mogelijk is. Fiscaal wordt deze lening behandeld als eigen vermogen, wat leidt tot het verlies van aftrekbaarheid van een verlies op de lening. Een aandeelhouder verstrekt zo’n lening bewust, ondanks de wetenschap van mogelijke niet-terugbetaling, vaak met het oog op andere functies dan investering of om verplichtingen van de dochtervennootschap te dekken.
Een bodemloze put lening is een financieringsvorm waarbij de vordering (gedeeltelijk) geen waarde heeft, omdat terugbetaling niet volledig mogelijk is. Fiscaal kwalificeert deze geldverstrekking niet als een lening, maar wordt deze behandeld als eigen vermogen.
Een kenmerk is dat de uitlener, vaak een aandeelhouder, de lening verstrekt ondanks de wetenschap van mogelijke niet-terugbetaling. Dit gebeurt vaak ter dekking van verplichtingen van de dochtervennootschap, zoals afvloeiingskosten. De lening kwalificeert dan als een bodemloze putvordering.
De juridische criteria voor het kwalificeren als bodemloze put lening zijn cumulatief. Een lening kwalificeert als bodemloze putvordering wanneer aan alle drie de criteria is voldaan. Eén daarvan is dat de crediteur de lening verstrekt in de hoedanigheid van aandeelhouder aan een vennootschap met een deelneming volgens artikel 13. Daarnaast moet de aandeelhouder het besef hebben dat de lening (gedeeltelijk) oninbaar is. De uitlener verstrekt de lening dan ondanks de wetenschap dat terugbetaling mogelijk niet volledig is.
De beoordeling of een geldlening een bodemloze putlening is, baseert men op de omstandigheden bij de verstrekking van de lening. Hierbij is het verstrekkingsmotief van de aandeelhouder doorslaggevend. De vraag is dan of een onafhankelijke derde de lening onder dezelfde condities zou hebben verstrekt. Verliesfinanciering door een onafhankelijke derde uit zakelijke overwegingen valt hier niet onder. De criteria voor een bodemloze putlening moeten volgens de jurisprudentie niet te strikt letterlijk worden uitgelegd. Het kwalificatiesysteem voor geldleningen kent volgens de Hoge Raad een uitzondering voor de bodemloze putvordering, wat leidt tot herkwalificatie naar eigen vermogen.
De fiscale behandeling van een bodemloze put lening is bijzonder, omdat een civielrechtelijke lening fiscaal als eigen vermogen kan kwalificeren. Een bodemloze put lening wordt fiscaal aangemerkt als een toevoeging aan het vermogen van de dochtervennootschap. Dit gebeurt wanneer een aandeelhouder een lening verstrekt waarvan bij aanvang al duidelijk is dat terugbetaling niet mogelijk is. De gevolgen voor renteaftrek zijn significant: rentebetalingen zijn niet aftrekbaar als winstuitdeling en een afwaardering van de lening komt niet in aftrek. Specifieke situaties, zoals een lening aan een zustervennootschap, kunnen leiden tot een middellijke winstuitdeling aan de moedervennootschap.
De Hoge Raad heeft met diverse arresten, vooral die van 25 november 2011, de fiscale kwalificatie van geldverstrekkingen verduidelijkt. Hierbij is de civielrechtelijke vorm beslissend voor het onderscheid tussen een geldlening en kapitaalverstrekking, waarbij de bodemloze put lening een uitzondering vormt. De juridische basis voor de onzakelijke lening problematiek werd al in 2008 door de Hoge Raad gelegd. Na 2011 is de fiscale jurisprudentie over onzakelijke leningen toegenomen en verdiept. Dit omvat de toepassing van onzakelijke lening conclusies in de terbeschikkingstellingsregeling en de correctie van onzakelijke rente volgens het ‘at arms length’ principe. Ook de aftrekbaarheid van een onzakelijke lening is onder omstandigheden niet mogelijk, wat een nuancering is op eerdere uitspraken.
De Wet op de vennootschapsbelasting (Wet VPB 1969) kent specifieke beperkingen en regels tegen onderkapitalisatie. Artikel 10d van deze wet richt zich op het bestrijden van grondslaguitholling door excessieve financiering met vreemd vermogen, via ruwe kapitalisatienormen. De Nederlandse wetgever introduceerde deze onderkapitalisatieregels al in 2004. Vergoedingen op geldleningen zijn niet aftrekbaar als de lening functioneert als eigen vermogen, volgens artikel 10, lid 1, onderdeel d, Wet VPB 1969. Daarnaast kan de inspecteur voordelen alsnog in aanmerking nemen wanneer de voorwaarden van een schuldverhouding niet-zakelijk zijn, op grond van artikel 8b Wet VPB 1969. Deze regels voorkomen dat bedrijven belasting ontwijken door onzakelijke leningen.
De bodemloze put lening, de onzakelijke lening en de schijnlening lijken op elkaar, maar kennen belangrijke verschillen in hun kenmerken en fiscale behandeling. De rechtspraak in Nederland onderscheidt deze vormen duidelijk. Een bodemloze put lening is een lening waarvan de vordering (gedeeltelijk) geen waarde heeft, omdat terugbetaling niet volledig mogelijk is. De bodemlozeputlening onderscheidt zich van de relatieve schijnlening.
Een schijnlening of onzakelijke lening wordt geconstateerd bij een lening zonder zakelijke afspraken en voorwaarden. Dit betekent vaak dat er geen leningsovereenkomst, aflossingsschema of zekerheden zijn. Een geldlening kwalificeert als onzakelijke lening als er geen vaste rente kan worden vastgesteld waartegen een onafhankelijke derde de lening zou verstrekken. Een lening zonder formele zekerheden moet kunnen aantonen dat het geen onzakelijke lening is.
De tabel hieronder toont de belangrijkste verschillen:
| Kenmerk | Bodemloze put lening | Onzakelijke lening / Schijnlening |
|---|---|---|
| Kern | Vordering (gedeeltelijk) geen waarde, terugbetaling niet volledig mogelijk | Lening zonder zakelijke afspraken en voorwaarden |
| Fiscale behandeling | Fiscaal behandeld als eigen vermogen | Geherkwalificeerd als eigen vermogen |
| Criteria | Kwalificeert als bodemloze putvordering wanneer aan alle drie de cumulatieve criteria is voldaan | Definieert op basis van onzakelijke elementen, zoals geen overeenkomst of zekerheden |
| Verlies aftrekbaarheid | Verlies op lening is niet aftrekbaar | Wordt geherkwalificeerd als eigen vermogen, geen expliciet feit over verliesaftrekbaarheid |
Zowel de deelnemerschapslening, schijnlening als bodemlozeputlening worden geherkwalificeerd als eigen vermogen.
Een bodemloze put lening heeft duidelijke risico’s en consequenties voor zowel de schuldeiser als de schuldenaar. De schuldeiser loopt het risico dat de vordering geen waarde meer heeft. Het geleende bedrag wordt dan niet volledig terugbetaald. Dit komt doordat de schuldeiser een debiteurenrisico aanvaardt dat een onafhankelijke derde niet zou nemen. Een afwaardering op de lening kan de schuldeiser niet ten laste van de fiscale winst brengen. Voor een natuurlijk persoon zijn inkomsten uit de lening fiscaal belastbaar in box 2.
De schuldenaar kan de rente op een bodemloze put lening fiscaal niet aftrekken. Een bodemloze putlening tussen een aandeelhouder en zijn vennootschap leidt tot een fiscale herkwalificatie van de geldlening tot kapitaal. Vaak spreken schuldeiser en schuldenaar af dat er over het restant van de lening niets meer te vorderen is.
De Nederlandse jurisprudentie biedt diverse voorbeelden en duidingen over de bodemloze put-lening. Zo beschouwde de Hoge Raad in 1998 een bodemloze put-lening, verstrekt door een aandeelhouder, als een blijvende vermogensverlating. Dit betekent dat het geleende bedrag fiscaal als informeel kapitaal wordt gezien.
Een concreet voorbeeld is een lening verstrekt door belastingplichtige X aan een BV, die als bodemloze put-lening kan kwalificeren. De beoordeling hiervan moet gebaseerd zijn op de omstandigheden bij de verstrekking van de lening. Een belangrijk criterium is het besef van oninbaarheid van de lening door de aandeelhouder. De uitzondering van de bodemloze put kan voorkomen in vennootschappelijke groepsverhoudingen, zoals directe moeder-dochterverhoudingen.
De bodemloze put-lening is een uitzondering op de civielrechtelijke kwalificatie van een geldleningsovereenkomst. Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een relatieve schijnlening. Verliesfinanciering door een onafhankelijke derde valt echter niet onder de uitzondering van de bodemloze put. In sommige gevallen, zoals in uitspraken van de Hoge Raad in 1995 en 2000, werd de stelling van een belanghebbende over een bodemloze put-lening niet behandeld, hoewel de geldlening niet op een schijnhandeling berustte.
Voor wie geen lening kan krijgen bij een traditionele bank, bijvoorbeeld door een gebrek aan vast inkomen of een vast contract, zijn er alternatieven. Een onderhandse lening of een lening bij de gemeentelijke kredietbank zijn dan mogelijke opties. Deze alternatieven kunnen uitkomst bieden wanneer een persoonlijke lening via de bank niet mogelijk is.
Een onderhandse lening is ook een alternatief voor een minilening of micro lening, en kan een BKR-toetsing vermijden. Daarnaast bieden alternatieve kredietverstrekkers ook financiering zonder BKR-toetsing, wat een optie is voor wie een minilening overweegt. Het is belangrijk om te beseffen dat niet overal het verkrijgen van deze alternatieve leningen lukt.
Spoedleningen en makkelijke leningen zijn vaak minileningen, bedoeld voor wie snel geld nodig heeft. Deze leningen worden snel en efficiënt geregeld, vaak zonder veel papierwerk of lange wachttijden. Ze bieden een flexibele en snelle financieringsmogelijkheid, vooral geschikt voor noodgevallen of onverwachte uitgaven waarbij u direct over geld wilt beschikken. Een persoonlijke lening biedt ook snelle goedkeuring en is sneller afgehandeld dan een hypotheek.
Toch brengen snelle leningen, zoals flitskredieten, financiële risico’s met zich mee. Ze kennen strikte voorwaarden en een korte looptijd. Het maximum leenbedrag voor een minilening is €1.500, en ze zijn bovendien duurder dan een persoonlijke lening. Voor de meeste situaties is een persoonlijke lening een betere keuze, gezien de lagere kosten en vaak ruimere voorwaarden.
Een lening wordt als ‘bodemloze put’ bestempeld wanneer de verstrekking plaatsvindt met het inzicht dat de vordering (gedeeltelijk) geen waarde zal hebben, gezien de onwaarschijnlijkheid van volledige terugbetaling. De beoordeling hiervan baseert men op de omstandigheden bij de verstrekking van de lening en het verstrekkingsmotief van de aandeelhouder. De uitlener of aandeelhouder verstrekt de lening dan ondanks het besef van oninbaarheid. De lening moet verstrekt zijn in de hoedanigheid van aandeelhouder aan een vennootschap met deelneming. Een wijziging van de voorwaarden kan een nieuwe beoordeling van het bodemloze put-kenmerk veroorzaken. Financiering die door een onafhankelijke derde partij wordt verstrekt vanuit puur zakelijke overwegingen, zelfs als dit tot een verlies leidt, valt niet onder deze kwalificatie.
De afwaardering van een bodemloze put lening heeft specifieke fiscale gevolgen. U kunt een afwaardering niet aftrekken van de fiscale winst. Dit komt omdat een bodemloze put lening fiscaal als eigen vermogen wordt gezien. Bij afwaardering wordt het zelfs aangemerkt als een toevoeging aan het vermogen van de dochtervennootschap. De deelnemingsvrijstelling voorkomt ook aftrek.
Om problemen met belastingaftrek bij bodemloze put leningen te voorkomen, is een zakelijke structuur essentieel. Zelfs een renteloze lening kan leiden tot problemen met de Belastingdienst. U moet daarom zorgen voor duidelijke afspraken en voorwaarden die een onafhankelijke derde ook zou accepteren. Een lening die niet aan zakelijke voorwaarden voldoet, kan fiscaal als eigen vermogen worden gezien. Dit betekent dat aftrek van rente of afwaardering dan niet mogelijk is. Zorg dus dat de voorwaarden van de lening, inclusief de rente, marktconform zijn.