Een bodemloze put lening is een lening waarvan snel duidelijk is dat deze niet terugbetaald kan worden. Fiscaal wordt zo’n ‘bodemloze put’ lening behandeld als eigen vermogen. Een uitlener of aandeelhouder verstrekt deze lening, wetende dat terugbetaling mogelijk niet lukt. Op deze pagina leert u de juridische en fiscale aspecten, de risico’s en de verschillen met andere leningen.
Een bodemloze put lening is een geldlening waarvan bij de verstrekking al duidelijk is dat de hoofdsom niet of niet volledig kan worden terugbetaald. Dit komt doordat de uitlener of aandeelhouder deze lening verstrekt, wetende dat terugbetaling mogelijk niet lukt. Fiscaal wordt een bodemloze put lening behandeld als eigen vermogen. Hierdoor verliest de lening de aftrekbaarheid van een verlies. Een lening kwalificeert als bodemloze putvordering wanneer aan specifieke cumulatieve criteria wordt voldaan. Kenmerken zijn de aspecten waaraan objecten te herkennen zijn. De belangrijkste kenmerken van een bodemloze put lening zijn:
In 2016 werd een lening van belastingplichtige X aan bv 5 als zodanig gekwalificeerd.
De juridische criteria voor een bodemloze put lening bepalen wanneer een lening fiscaal als kapitaal wordt behandeld. Een lening kwalificeert als bodemloze putvordering wanneer aan specifieke cumulatieve criteria wordt voldaan. Daarbij moet duidelijk zijn dat de vordering (gedeeltelijk) geen waarde heeft, omdat terugbetaling niet volledig mogelijk is. Een belangrijk criterium is het besef van oninbaarheid door de aandeelhouder; deze weet direct dat de lening geheel of gedeeltelijk niet terugbetaald zal worden.De beoordeling van een geldlening als bodemloze put lening gebeurt op basis van de omstandigheden en het verstrekkingsmotief van de aandeelhouder bij het verstrekken van de lening. Hierbij hoort een geobjectiveerde toets: was het de uitlener duidelijk dat terugbetaling (gedeeltelijk) uit zou blijven? Een ander punt is de ‘derdenvergelijking’: zou een onafhankelijke derde de lening onder dezelfde condities hebben verstrekt?De rechtspraak in Nederland onderscheidt de vorm van een bodemloze-putlening, ook wel verliesfinanciering genoemd. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (27 januari 1988, BNB 1988/217) kent het kwalificatiesysteem voor geldleningen een uitzondering bij de bodemlozeputvordering. De criteria hiervoor moeten niet te letterlijk worden uitgelegd, zoals blijkt uit BNB 1993/32. Een wijziging in de voorwaarden van een lening kan bovendien aanleiding zijn voor een nieuwe beoordeling van het bodemlozeput-kenmerk. Zelfs als een aandeelhouder de lening verstrekt door een vergissing of dwaling, en zich dus niet bewust was van de oninbaarheid, kan de lening alsnog zo worden gekwalificeerd.
De fiscale behandeling van een bodemloze put lening is complex en heeft aanzienlijke gevolgen voor de renteaftrek. Dergelijke leningen worden fiscaal doorgaans gekwalificeerd als eigen vermogen, in plaats van vreemd vermogen. Dit heeft een directe impact op de aftrekbaarheid van de hierover betaalde rente. Waar rente op reguliere leningen in principe aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting, is dit bij een bodemloze put lening niet het geval. Dit verhoogt de effectieve financieringskosten voor de onderneming.
Ter illustratie: bij een bodemloze put lening van €100.000 met een rentepercentage van 6% per jaar, bedragen de jaarlijkse rentelasten €6.000. Aangezien deze rente fiscaal niet aftrekbaar is, loopt de onderneming een belastingvoordeel mis. Bij een vennootschapsbelastingtarief van 19% komt dit neer op een gemist voordeel van €1.140 per jaar (€6.000 19%), wat de effectieve kosten van de lening aanzienlijk verhoogt.
De exacte fiscale implicaties, waaronder de aftrekbaarheid van eventuele verliezen die uit de lening voortvloeien, zijn sterk afhankelijk van de specifieke juridische kwalificatie van de lening en de omstandigheden van het geval. Jurisprudentie en de bepalingen van de Wet op de vennootschapsbelasting (Wet VPB) spelen hierbij een doorslaggevende rol.
De invloed van arresten van de Hoge Raad en BNB-uitspraken is bepalend voor de kwalificatie van een bodemloze put lening. In 2008 wees de Hoge Raad een arrest (BNB 2008/191) over bewijs voor zakelijke leningen aan eigen BV’s. Dit arrest werd op 25 november 2011 gedeeltelijk genuanceerd (BNB 2012/37), wat ook de aftrekbaarheid van onzakelijke leningen raakte. Op diezelfde datum (BNB 2012/78) golden conclusies over onzakelijke leningen ook in de terbeschikkingstellingsregeling. In 2012 koos de Hoge Raad voor een eigen interpretatie binnen de kaders van BNB 2008/191 (BNB 2012/39). De civielrechtelijke vorm is beslissend voor de kwalificatie als geldlening of kapitaalverstrekking (BNB 2012/37), waarbij herkwalificatie afhangt van werkelijke feiten en omstandigheden, boven arbitraire criteria (vanaf BNB 1998/208). Een vergoeding voor geldverstrekking moet afhankelijk zijn van de winst (BNB 1998/208), al betekende uitstel van rente-uitbetaling, afhankelijk van dividend, in 1999 (BNB 1999/176) geen winstafhankelijke rente. Eerder, in 1995, behandelde de Hoge Raad wel een geldlening die niet op schijnhandeling berustte, maar niet expliciet de stelling dat het een bodemloze put lening was.
De Nederlandse wetgever introduceerde in 2004 onderkapitalisatieregels via artikel 10d Wet VPB 1969, naar aanleiding van het Bosal-arrest. Dit artikel is specifiek ontworpen om de uitholling van de grondslag door excessieve financiering met vreemd vermogen te bestrijden, met ruwe kapitalisatienormen. Deze beperkingen zijn van belang bij de fiscale beoordeling van geldleningen, waaronder de kwalificatie van een bodemloze put lening.
De bodemloze put lening, onzakelijke lening en schijnlening zijn verschillende concepten met elk hun eigen fiscale en juridische kenmerken. Een bodemloze put lening onderscheidt zich van een relatieve schijnlening doordat bij de verstrekking al duidelijk is dat de vordering geen of slechts gedeeltelijk waarde heeft, omdat terugbetaling niet volledig mogelijk is. De uitlener of aandeelhouder verstrekt deze lening ondanks de wetenschap van mogelijke niet-terugbetaling.
Een onzakelijke lening wordt gedefinieerd op basis van lening met onzakelijke elementen, zoals het ontbreken van een zakelijke rente die een onafhankelijke derde zou accepteren. Een schijnlening wordt geconstateerd bij leningen zonder zakelijke afspraken en voorwaarden, zoals het lenen van een BV zonder overeenkomst, aflossingsschema of zekerheden. Bij een lening zonder formele zekerheden moet kunnen worden aangetoond dat het geen onzakelijke lening is. Voor een aandeelhouder die geld leent aan zijn vennootschap, zijn deze nuances cruciaal — de fiscale gevolgen zijn heel verschillend.
| Kenmerk | Bodemloze Put Lening | Onzakelijke Lening | Schijnlening |
|---|---|---|---|
| Basis Kenmerk | Terugbetaling is vooraf onzeker. | Geen zakelijke voorwaarden. | Geen formele afspraken. |
| Fiscale Kwalificatie | Eigen vermogen (verlies niet aftrekbaar). | Eigen vermogen. | Eigen vermogen. |
Bij een bodemloze put lening zijn er duidelijke risico’s en consequenties voor zowel de schuldeiser als de schuldenaar. Voor de schuldeiser betekent het dat een vordering fiscaal kan worden afgewaardeerd, waarbij het verlies ten laste van de fiscale winst komt. Dit afwaarderingsverlies mag de schuldeiser aftrekken van de winst als de schuldenaar de lening niet kan terugbetalen. Als de schuldenaar niet betaalt, kan de schuldeiser juridische stappen ondernemen, zoals nakoming via de rechter afdwingen met een schuldbekentenis. Ook kan de schuldeiser debiteuren benaderen om geld binnen te halen of de schuld op een borg verhalen. Een schuldeiser moet wel een advocaat inschakelen voor een faillissementsaanvraag en is aansprakelijk voor schade bij een onterecht beslag.
Voor de schuldenaar zijn er ook belangrijke gevolgen. U moet rente betalen over het openstaande bedrag. Als de situatie uitzichtloos is, kunt u als schuldenaar een verzoek tot dwangakkoord indienen bij de rechter als schuldeisers niet meewerken. Soms komen partijen overeen dat er over het restant van de lening niets meer te vorderen is, of dat een deel, bijvoorbeeld 20%, van de uitstaande lening direct wordt afgelost om de schuld te regelen.
Een bodemloze put lening komt vaak voor in vennootschappelijke groepsverhoudingen, zoals tussen een moeder- en dochtermaatschappij of zustermaatschappijen. Zo’n lening wordt door de Hoge Raad beschouwd als een storting van informeel kapitaal in de dochtermaatschappij. Dit is een uitzondering op de civielrechtelijke kwalificatie van een geldleningsovereenkomst, net als deelnemerschapsleningen.
De beoordeling of een geldlening een bodemloze put lening is, moet altijd gebaseerd zijn op de omstandigheden bij het verstrekken van de lening. Een aandeelhouder verstrekt een dergelijke lening bewust aan een dochtervennootschap, vaak met het oog op andere functies dan een investering in een vorderingsrecht of aandelenbelang. Denk hierbij aan het verbeteren van de goede naam of kredietwaardigheid van de dochter, of ter dekking van afvloeiingskosten of andere verplichtingen. Het is essentieel dat het verlies op de lening het gevolg is van eerder aangegane verplichtingen.
De kwalificatie hangt af van het oogpunt van de verstrekker van de lening, meestal de aandeelhouder. Verliesfinanciering die door een onafhankelijke derde uit zakelijke overwegingen wordt verstrekt, valt niet onder de bodemloze put uitzondering. Een bodemloze put lening onderscheidt zich ook van een relatieve schijnlening. Uiteindelijk wordt een bodemloze put lening, mits aan alle cumulatieve criteria voldaan, beschouwd als eigen vermogen; de moedervennootschap ziet het dan niet als een investering in de deelneming.
Wanneer een traditionele lening bij een bank of kredietverstrekker niet lukt, zijn er diverse alternatieven beschikbaar. Voor particulieren zonder vast contract die geld willen lenen, zijn een onderhandse lening of een lening bij een gemeentelijke kredietbank vaak de eerste overwegingen. Deze opties kunnen uitkomst bieden als u geen inkomen heeft of als een bank u afwijst.
Het is een misvatting dat er geen opties zijn als de bank ‘nee’ zegt. Voor wie geen vaste baan heeft, kan een gemeentelijke kredietbank een veilige en verantwoorde oplossing bieden. Ook een onderhandse lening, direct tussen partijen, kan een alternatief zijn. Deze kan zelfs een BKR-toetsing vermijden, net als sommige alternatieve of particuliere geldverstrekkers die financiering zonder BKR-toetsing aanbieden. Als u uw minilening opties bekijkt, komt u deze mogelijkheden tegen.
Ook voor vennootschappen zijn er alternatieven wanneer vastgoedfinanciering via traditionele wegen stagneert. Denk aan private investeerders, crowdlending of onroerende leasing. Zelfs voor de financiering van bouwgrond, wanneer een hypotheek niet mogelijk is, kan een persoonlijke lening een uitkomst bieden. Dit toont aan dat er buiten de gebaande paden altijd mogelijkheden zijn om financiering te vinden.
Een spoedlening is bedoeld voor mensen die snel geld nodig hebben. Deze lening is voor personen met een acute geldbehoefte. Snel geld lenen gaat via een snel krediet; dit is een vorm van snel krediet. Een snelle lening onderscheidt zich door een leningbedrag tot €1.500 en een kortere afbetalingstermijn. Het maximum leenbedrag voor een snelle lening, ook wel minilening genoemd, is €1.500. Op lening.nl/spoed/ vindt u meer informatie over deze specifieke leningen.
Een lening is tegenwoordig gemakkelijk af te sluiten en vaak is een lening snel geregeld. Een snelle lening biedt veel gemak, zonder papierwerk of lange wachtperiodes. Leningaanvragers in Nederland kunnen snel en gemakkelijk geld lenen. Zo’n lening omvat een snelle beoordeling. Geld lenen zonder gedoe betekent snelle goedkeuring en uitbetaling. Voor een overzicht van aanbieders die een makkelijke lening aanbieden, kunt u terecht op Lening.nl.
Een lening wordt als bodemloze put aangemerkt wanneer al bij de verstrekking duidelijk is dat de hoofdsom niet of niet volledig kan worden terugbetaald. De kwalificatie als bodemloze putvordering vraagt om de naleving van alle drie de cumulatieve criteria. Een essentieel criterium is het besef van oninbaarheid van de lening bij de aandeelhouder. Fiscaal wordt een dergelijke geldverstrekking niet als lening gezien, maar als eigen vermogen. Dit heeft als gevolg dat een verlies op de bodemloze put-lening niet aftrekbaar is. De Belastingdienst kan een lening van een privépersoon aan een BV als ‘bodemloze-put-lening’ bestempelen. Bij een normale lening ontvangt u een vast bedrag dat in termijnen wordt terugbetaald, vaak met een schuldbewijs. Echter, bij een bodemloze put lening is de terugbetaling van meet af aan onzeker.
De rentehybride regeling betreft de aard van hybride leningen. Volgens de Belastingdienst functioneren deze feitelijk als eigen vermogen binnen de Wet VpB. De vergoeding van een hybride lening hangt af van de winst. De schuld is achtergesteld bij andere schuldeisers en heeft geen vaste looptijd; opeisbaarheid geldt alleen bij faillissement of liquidatie. Een deelnemerschapslening is een type hybride lening waarbij de rentevergoeding vrijwel geheel afhankelijk is van de winst, en de schuldeiser deelneemt in de schuldenaar. Een bodemloze put lening, fiscaal ook kapitaal, is een lening waarvan de terugbetaling bij verstrekking al onzeker is. De crediteur weet direct dat de vordering geen waarde heeft, omdat het geleende bedrag niet volledig terugbetaald zal worden. De fiscale herkwalificatie naar kapitaal gebeurt vaak bij een lening van een aandeelhouder aan zijn vennootschap.
Rekenvoorbeeld: Stel een vennootschap heeft een deelnemerschapslening van €100.000, waarbij de jaarlijkse vergoeding is vastgesteld op een illustratieve 5% van de behaalde winst. Als de vennootschap in een jaar €40.000 winst maakt, bedraagt de vergoeding €2.000 (5% van €40.000). Wordt deze lening echter fiscaal geherkwalificeerd als een bodemloze put lening, dan wordt deze €2.000 vergoeding niet behandeld als aftrekbare rente, maar als een winstuitdeling. Dit betekent dat de vennootschap deze kosten niet van haar winst kan aftrekken voor de vennootschapsbelasting, wat de fiscale last aanzienlijk beïnvloedt vergeleken met een reguliere lening waarbij rente wel aftrekbaar is.
Bij een afwaardering van een bodemloze put lening wordt deze fiscaal niet als lening gezien, maar als eigen vermogen. Dit betekent dat een verlies op zo’n lening niet aftrekbaar is voor de belasting, wat voortkomt uit de deelnemingsvrijstelling. Al in 1988 werd vastgesteld dat een afwaardering op een bodemloze put lening niet aftrekbaar is volgens de deelnemingsvrijstelling, specifiek voor de vennootschapsbelasting. Dit geldt ook voor onzakelijke leningen, waarbij een afwaardering fiscaal niet ten laste van het resultaat van de geldverstrekker mag komen. Een afwaarderingsverlies op een onzakelijke lening kan onder bepaalde voorwaarden zelfs leiden tot verlies uit aanmerkelijk belang, zoals blijkt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2008.
Om problemen met de belastingaftrek bij een bodemloze put lening te voorkomen, is het belangrijk om de afwijkende fiscale kwalificatie van de lening goed te beheren. De Belastingdienst accepteert leningen van een bv alleen als ze voldoen aan zakelijke voorwaarden; anders kan het gezien worden als een verkapte winstuitkering. Een bodemloze put lening wordt fiscaal behandeld als eigen vermogen, wat betekent dat de geldverstrekking fiscaal niet als lening kwalificeert. Dit resulteert erin dat een verlies op de lening niet aftrekbaar is. Een afwaardering van een bodemloze put lening komt namelijk niet in aftrek op grond van de deelnemingsvrijstelling. De beoordeling of een lening een bodemloze put lening is, hangt sterk af van het verstrekkingsmotief van de aandeelhouder en de omstandigheden bij het verstrekken. Veranderingen in de voorwaarden van de lening kunnen zelfs leiden tot een nieuwe beoordeling. Zorg dus dat de lening onder zakelijke condities blijft, vergelijkbaar met wat een onafhankelijke derde zou doen.